Terug naar blog

Wat als je ineens... niets meer bijdraagt?

Wat als je ineens… niets meer bijdraagt?

Op een dag stond hij niet meer op. Hij was niet dood, niet ziek, niet depressief. Hij was niet eens echt moe. Hij stond gewoon niet op.

Eerst lag hij heel lang stil. Op zijn rug, met zijn armen achter zijn hoofd, om zijn kussen heen gevouwen. Er bleek ontzettend veel te zien. De scheur in zijn plafond, die daar al had gezeten sinds hij hier bijna 10 jaar geleden was komen wonen. Vaagjes had hij die scheur weleens opgemerkt en gedacht, daar moeten we een keer wat aan doen. Hij vroeg zich af of de scheur groter was geworden, in die tien jaar. Hij dacht het eigenlijk niet. Zijn ogen volgden de scheur ontelbare keren van de ene naar de andere kant. Hij was zeker drie meter lang maar heel dun. Een subtiel scheurtje.

Het was zo middag.

Toen draaide hij zich op zijn zij. Zijn rechterarm bleef onder het kussen liggen, zijn hoofd lag nog steeds in zijn hand. Vanuit zijn bed kon hij nu zijn boekenkast zien. Die was dichtbij genoeg om de titels te kunnen lezen, zelfs al waren zijn ogen niet meer zo scherp als vroeger. Hij las ze, de een na de ander. Bij elke titel probeerde hij zich te herinneren of hij het boek daadwerkelijk had gelezen, en zo ja, waar het dan over was gegaan.

Hij hoorde zijn telefoon wel afgaan, het bed trilde er een beetje van, maar hij dacht er geen moment aan om op te nemen. Aan de andere kant van de lijn vroeg zijn werkgever zich passiefjes af waar hij zou kunnen zijn, of hij hem had laten weten dat hij er vandaag niet zou zijn? Het was vast een miscommunicatie. Hij was zijn meest betrouwbare medewerker.

Zijn partner was hem minder gunstig gezind toen ze thuis was gekomen en had gezien dat er geen eten was. Het was maandag, en op de maandag zorgde hij voor het eten. Ze probeerde hem te bellen, hij nam niet op. Irritant. Ze liep naar boven om een andere broek aan te trekken voordat ze dan maar zelf naar de appi zou gaan. Ze was niet voorbereid op wat ze daar aantrof.

‘Wat ben je aan het doen?’ ‘Ik moet naar de WC’, zei hij met een pijnlijke uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ben je ziek?’ ‘Nee’ ‘Ga dan naar de WC’ ‘Ik heb geen zin’ ‘Je hebt geen zin?’ ‘Nee’

Ze verloor haar interesse in het onderwerp.

‘Je hebt geen eten gehaald.’ ‘Nee’ ‘Waarom niet?’ ‘Ik had geen zin.’ 'Hé? Kan je dan nu gaan alsjeblieft?’ ‘Nee’

En hij draaide zich van haar weg, langzaam vanwege zijn volle blaas, en keek verder naar de boekenkast.

Het was een paar dagen later toen hij haar hoorde huilen, aan de telefoon met haar moeder. En maar een paar weken tot ze vertrok. Zo groot was zijn vergrijp, het niets meer doen. Het rechtvaardigde haar vertrek.

Het duurde twee maanden voordat de ontslagbrief werd bezorgd. Hij las hem aandachtig door. Meerdere keren. De brief was ook niet lang. Er stond vooral dat hij ‘niet langer invulling gaf aan zijn functie’. Dat klonk redelijk. Hij zakte weer terug in zijn kussen.

De bedrijfsarts was natuurlijk geweest, en daarna ook de huisarts.

Of hij somber was. Of hij aan zelfmoord dacht. Of hij nog plezier ervoer. Of hij stemmen hoorde. Of hij bang was.

Steeds antwoordde hij rustig nee. ‘Maar waarom komt u dan niet meer uit bed?’, vroegen ze hem. Hij dacht daar even over na. ‘Omdat het niet hoeft.’ De huisarts schreef iets op. Daarna kwamen meer mensen. Een praktijkondersteuner. Een psycholoog. Iemand van de gemeente. Uiteindelijk zelfs iemand die zijn uitkering regelde. Blijkbaar was er toch een probleem geconstateerd. Hij bedankte iedereen altijd vriendelijk.

Zijn moeder kwam vrijwel dagelijks even op de rand van zijn bed zitten, legde een hand op zijn been en praatte met hem. Best gezellig, soms keek hij ernaar uit. Het was jammer dat ze zo vaak huilde natuurlijk, maar er waren ook dagen waarop het gesprek heel gemakkelijk ging. Dan vertelde ze hem over de bridgeclub, of over iets uit het nieuws.

Rond een uur of vier kwam hij meestal uit bed. Zijn lichaam hield er blijkbaar toch nog een ritme op na. Het voelde elke keer als een uitstapje, de weg naar de wc. Eerst ging hij rechtop zitten en wachtte hij even tot zijn benen weer onderdeel werden van zijn geheel. Daarna stond hij langzaam op. Onderweg keek hij nieuwsgierig om zich heen. Hoe het stof zich verzamelde op plekken waar niemand kwam. Hoe planten verrassend lang konden doorgaan met half dood zijn. Hoe de zon iedere middag een rechthoek van licht op de muur projecteerde die langzaam door de gang schoof. Hij had daar vroeger nooit tijd voor gehad.

Op een ochtend, bijna twee jaar nadat hij was blijven liggen, ontdekte hij dat de scheur in het plafond daadwerkelijk groter was geworden.

Heel even glimlachte hij. Wat een dag!

De filosofie achter het verhaal

‘Hij’, de naamloze man uit het verhaal, doet niks meer. Zonder aanleiding, zonder oorzaak stopt hij van het ene moment op het andere met ‘iets’ doen. Kan dat eigenlijk zomaar? Mag dat?

Het is in elk geval vreemd.

De drang om te ontwikkelen, te groeien, om vooruitgang te boeken is eigenlijk een levensbehoefte. Abraham Maslow (1908 - 1970) illustreerde dit heel sprekend met zijn ‘behoeftenpiramide’. Deze piramide geeft in hiërarchische volgorde weer welke basisbehoeften de mens heeft, namelijk:

  • Fysiologische behoeften (eten, drinken, slapen, warmte)
  • Veiligheidsbehoeften (veiligheid, zekerheid, stabiliteit, gezondheid)
  • Sociale behoeften/verbondenheid (vriendschap, liefde, relaties, ergens bij horen)
  • Erkenningsbehoeften/waardering (respect, status, zelfvertrouwen)
  • Zelfactualisatie/zelfontplooiing (je potentieel ontwikkelen, persoonlijke groei)

In het verhaal laat de naamloze man deze basisbehoeften ineens helemaal los en dat is vreemd, de dingen loslaten die je nodig hebt om te kunnen functioneren. In termen van Maslows piramide blijft hij nog net voorzien in zijn fysiologische behoeften, terwijl veiligheid al nauwelijks meer een rol lijkt te spelen. Aan sociale verbondenheid komt hij al helemaal niet meer toe, het is dat zijn moeder nog blijft langskomen.

En dan is gek. Mens-zijn is geen solitaire toestand. We worden gevormd in contact, in afhankelijkheid, in erkenning. Emmanuel Levinas (1906–1995) is hierin heel helder. De mens is geen autonoom individu dat pas later relaties aangaat, maar is vanaf het begin al verbonden met anderen. De aanwezigheid van de ander, of nog specifieker het ‘gelaat’ van de ander, roept automatisch een verantwoordelijkheid op, zo zegt hij. De ander doet altijd een beroep op je, en daar niet reageren op is nooit neutraal.

Maar is het daarmee ook verkeerd? Heeft de naamloze man een plicht om ‘iets’ te doen?

Wat hier natuurlijk snel in het verkeerde keelgat schiet is dat hij alleen ‘niets’ kan doen zolang er anderen zijn die dit mogelijk maken. Hij vraagt er weliswaar niet om, maar de hulp die hem wordt geboden, omdat hij leeft in een maatschappij waarin hulp door de staat en door je naasten nou eenmaal wordt geboden, neemt hij dankbaar aan.

Thomas Hobbes (1588–1679) zou hier vanuit zijn idee van het sociaal contract waarschijnlijk kritisch op reageren. Volgens hem kunnen mensen alleen samenleven doordat ze een deel van hun vrijheid en verantwoordelijkheid overdragen aan een gezamenlijk systeem dat orde en veiligheid garandeert. Wie zich daaraan onttrekt, maakt gebruik van die maatschappelijke orde die door anderen in stand wordt gehouden. Zonder zo’n gedeelde orde zou de samenleving volgens Hobbes terugvallen in de natuurtoestand: een situatie zonder regels, waarin het leven ‘eenzaam, arm, akelig en kort’ zou zijn.

De naamloze man is dus een profiteur, en daar houden wij niet van. Het systeem kan niet bestaan als iedereen alleen maar profiteert. Maar ja, het systeem kan prima bestaan als een paar mensen dat doen. Het voelt oneerlijk misschien, maar schadelijk is het feitelijk niet.

Stel nou, hij zou niet profiteren. Hij trekt zich terug, zorgt voor zichzelf, maakt van geen enkele voorziening gebruik, en sterft bij de eerste de beste ontsteking een ongemedicaliseerde dood. Mag hij dan ‘niets’ doen?

In dat geval zou hij niet meer profiteren van het geinstitutionaliseerde systeem. Dat kan, al is het knap lastig - probeer maar eens het riool, de geasfalteerde weg en elektriciteit te mijden. Maar zich onttrekken van het relationele systeem zal nooit echt gaan. Er zullen altijd mensen zijn die op het kluisenaarschap reageren, die daar iets bij voelen. Zijn moeder bijvoorbeeld, voor wie zijn 'niets’ doen concrete pijn oplevert.

Zo komen we toch weer uit bij Levinas: je staat nooit echt los van de ander, omdat je altijd in een relationele verbondenheid met anderen bent ingebed, die op jouw keuze om ‘iets’ of ‘niets’ te doen zullen blijven reageren.